British flag  Bandeira brasileira
Plaatje familiewapen De Munnick


 

Plaatje Braziliaanse vlag Brieven uit Brazilië: reizen in een primitief land

Bert Ernste

Juli 2013

Omslag boek <i>Brieven uit 
	Brazilië</i> Tussen 1897 en 1902 reisde de jonge Nicolaas Verschuur door Zuid-Amerika en met name Brazilië op zoek naar edelstenen. Over zijn wederwaardigheden schreef hij brieven in de krant Het Nieuws van den Dag. Brazilië was toen nog grotendeels ongerept, in de zin dat er weinig wegen waren. Het reizen was bijzonder avontuurlijk, mede door de diverse indianenstammen, die lang niet allemaal gediend waren van blanke indringers.

In 1989 verscheen bij de Arbeiderspers een boek, bezorgd door August Willemsen, met daarin veertig van de zestig brieven die Verschuur schreef. Voor wie zich een voorstelling wil maken van hoe het Braziliaanse binnenland er uit zag rond de eeuwwisseling van de negentiende naar de twintigste eeuw is dit boek beslist een aanrader.

In de eerste brieven in het boek schrijft Verschuur een aantal malen over de verwarde politieke toestand in de Braziliaanse deelstaat Bahía. Het is ten tijde van de oorlog van Canudos, waarin Antônio Conselheiro duizenden mannen en vrouwen om zich heen verzamelde, die armoede leden en in Conselheiro een (religieus) leider zagen die heil zou brengen. Toen zij zich vestigden in Canudos (op grond van een grootgrondbezitter) kregen zij het aan de stok met de gevestigde orde. Ook werden Conselheiro en zijn volgelingen er valselijk van beschuldigd de monarchie te willen herstellen. Keizer Dom Pedro II was in 1889 afgezet en Brazilië werd een republiek. Een zenuwachtige burgemeester van het stadje Juazeiros vreesde een invasie van de volgelingen van Conselheiro en riep hulp in van het leger, dat er aanvankelijk niet in slaagde om de ‘Conselhistas’ te verslaan.

Verschuur merkt de onrust in Bahía en hoort een en ander over de gebeurtenissen en schrijft: “Hoe dit eindigen moet in dit bijgelovig fanatiek land is vooralsnog een raadsel. Zolang hij niet dichter in onze buurt komt, niet een of andere volgeling in onze buurt verdwaalt en nog ontzettender wonderen van de apostel opdist, zal het hier wel rustig blijven.” (Uiteindelijk werden Conselheiro en zijn volgelingen bloedig verslagen. Vargas Llosa schreef over die episode het spannende boek De oorlog aan het einde van de wereld | The war of the end of the world.)

Dat conflict speelt zijdelings een rol in het verhaal van Verschuur, maar de meeste brieven gaan toch over zijn zoektocht naar (half)edelstenen en zijn directe omgeving. Zoals dat in die tijd gebeurde spreekt hij over zijn donkere dienstmeid als ‘zwartje’ en het woord ‘neger’ heeft nog geen negatieve bijklank. Grappig is dat Verschuur een Nederlands kookboek, Aaltje de volmaakte en zuinige keukenmeid bij zich heeft om zijn dienstmeiden aanwijzingen te kunnen geven. Voor het bereiden van poema neemt hij het recept voor haas en voor de restanten van de maaltijd dat van hazepeper.

Een bezoekende groep kunstenmakers leidt tot grote opwinding in het dorp waar Verschuur verblijft. De jeugd staat hen al op te wachten aan de rand van het dorp. “Eindelijk kwamen zij aan, vijf personen, hun bagage gepakt op twee magere paarden, zó broodmager dat het een wonder was hoe zij hun last konden dragen.” De artiesten brengen na hun optreden de notabelen van het dorp een afscheidsbezoek. Ook Verschuur valt die eer te beurt, maar hij “was zeer blij toen deze zeldzaam smerige negerfamilie mijn deur weer uit was”.

Zo beschrijft Verschuur in nuchtere termen, zonder uitgebreide analyses of oordelen, zijn leven in Brazilië. Op weg naar Bolivia ontmoet hij een poemajager, die hij in het Spaans aanspreekt. De poemajager blijft ondanks fraaie Spaanse volzinnen zeer argwanend. Totdat Verschuur zijn Luxemburgse metgezel in het Duits toeroept om de geschoten poema van de jager te komen bekijken. De jager laat zijn geweer vallen, de tranen biggelen over zijn wangen en hij zegt: “Hoe dank ik de hemel dat ik nog eenmaal mijn moedertaal hoor. Sinds 20 jaar is mij de straf opgelegd, gedoemd ver van mensen in deze wildernis te leven, en nu ik weer voor het eerst mijn moedertaal hoor, nu is mij het hart zo vol, zo week”. Verschuur en zijn metgezel vragen uit respect niet naar het drama achter deze woorden.

De passage tekent hoe anders het reizen in die tijd was, zeker als je de wildernis introk. Geen communicatie, anders dan door het sturen van een boodschapper. Geen mobiele telefoon, satelliettelefoon of andere elektronica, zelfs geen telefoon.

Verderop vertelt Verschuur van de gemeenschappen van gevluchte slaven, die in het oerwoud wonen. Na de afschaffing van de slavernij breidden deze gemeenschappen zich nog verder uit. “(...) zo ontwikkelden zich zich in de wildernissen gehele negerstammen die, afgescheiden van alle aanraking met de blanken, hoe langer hoe meer verwilderden, en in de oerwouden leefden zoals hun voorvaderen in het verre Afrika. Toch zijn die wilde of verwilderde stammen niet buitengewoon gevaarlijk, men moet met alle mensen weten om te gaan, tamme en wilde”.

Ook Verschuurs verhalen over de indianen zijn interessant om te lezen. Zo vertelt Verschuur van de Mataco’s, die hand aan hand zwemmend een woest stromende rivier zo breed als het Amsterdamse IJ weten over te steken. Soms maken ze daarvoor ook vlotten. Verder heeft hij weinig goede woorden over voor de Mataco’s: “de lamlendigheid en loomheid van dat volk beschrijven is ondoenlijk”.

Voor de Chiruanen aan de grens met Bolivia heeft Verschuur meer waardering. Die maken van een koeienhuid een soort vierkante bak om een rivier over te steken. Een indiaan op een paard trekt de bak en een aan de achterkant meezwemmende indiaan zorg voor de balans.

Hoe primitief en armoedig grote delen van Brazilië rond 1900 waren, blijkt uit Verschuurs brief uit Bom Jesus de Lapa, waar hij op zijn metgezel wacht. Een van zijn ossen gaat dood na het eten van giftige planten. Verschuur sleept de dode os buiten de bewoonde kom en vilt die. Nauwelijks heeft hij de huid van het dier af en wil hij het door het gif zwart geworden vlees aan de gieren laten, of “hongerige ongelukkigen stonden gereed om om twistend de buit te verdelen. Ondanks mijn waarschuwingen vielen de hongerlijders erop aan; de sterksten kregen het meest. Mannen en vrouwen vochten om die bloederige stukken; het was onmogelijk er mij tegen te verzetten. ’t Was een mensonterend, walgelijk schouwspel.”

Alles bij elkaar is Brieven uit Brazilië van Nicolaas Verschuur een zeer prettig lezend boek over pionieren in andere, voor de moderne reiziger die voortdurend online is, bijna onvoorstelbare tijden. De brieven zijn nuchter geschreven, registrerend zonder veel oordelen en met een prettige dosis verbazing en humor. Zeer aanbevolen!

Nicolaas Verschuur, Brieven uit Brazilië

Meer Brazilië | Index artikelen | Contact