British flag  Bandeira brasileira
Plaatje familiewapen De Munnick


 

Foto'tje kop uil Steelt Oost-Europa de show?

Bert Ernste

De Journalist 23 april 1990 (iets gewijzigd)

In De Journalist van 11 april 1988 werd de buitenlandjournalistiek aangeklaagd. Die buitenlandjournalistiek kreeg er van langs omdat zij te weinig informatie uit eerste hand zou vergaren en te veel op de (westerse) persbureaus zou vertrouwen, die te veel aan incidentenjournalistiek zouden doen. Daarnaast is er de vraag waar de schaarse middelen moeten worden ingezet. Neem je er een persbureau bij of vergroot je het reisbudget? In welke hoofdsteden zet je een correspondent neer? Nu de veranderingen in Oost-Europa grote verschuivingen te weeg brengen in de wereldverhoudingen en dus in de journalistieke belangstelling is het een goed moment om de buitenlandjournalistiek opnieuw onder de loep te nemen.

Voorpagina De Journalist Veel kritiek op buitenlandjournalistiek is juist, maar een groot deel daarvan is ook overtrokken. Laten we eerst even kijken naar de gebruikelijke kritiek. Er zou te veel worden geschreven over verre landen door mensen, die er nooit geweest zijn. Dat is waar. Het is echter onzin om te menen dat altijd geldt dat ‘je er geweest moet zijn’. Het is nuttig om er geweest te zijn en het is in het algemeen nuttig om een tijd in een buitenland gewoond te hebben. Wie langer in het buitenland heeft gewoond - het hoeft niet eens heel ver te zijn - heeft wellicht een gevoeligheid ontwikkeld voor andere culturen en is hopelijk (garanties zijn er niet) het nog steeds ingebakken superioriteitsgevoel van de Westerling en speciaal de Nederlander kwijt geraakt. Wie over die kwaliteiten beschikt kan, met een goede keuze van bronnen, heel zinvol over gebieden schrijven, die hij of zij niet van nabij kent. Wel blijven dat noodzakelijkerwijze vrij algemene stukken, waarin weinig ‘couleur locale’ zit. Voor de lezer / kijker hoeft dat geen bezwaar te zijn. Die weet meestal immers nog veel minder en heeft vaak behoefte aan een goed gedocumenteerd, algemeen stuk. ‘Er geweest zijn’ werkt soms zelfs averechts. Dat blijkt uit veel publicaties van landencomité’s. In De Journalist van 11 april 1988 werden deze als belangrijke aanvullende bronnen voor buitenlandredacteuren genoemd. Wie deze publicaties volgt weet echter dat deze zeer in kwaliteit verschillen en bovendien vaak uitgaan van een vooropgezette mening. Dat maakt dat ze zichzelf veel herhalen. Contact houden met de mensen van landencomité’s, die reizen maken naar ‘hun’ gebied lijkt veel nuttiger. Dan komt men wellicht ook details te weten, die het landencomité niet in haar eigen publicatie zet. Waarom is er in Nederland niet veel meer contact tussen journalisten met dezelfde specialisaties en mensen van landencomité’s en andere organisaties, die met hetzelfde gebied bezig zijn? Is iedereen zo druk?

Kortom: een goede redacteur, met de nodige bagage, kan best schrijven over landen, waar hij of zij nog nooit geweest is, mits de beperkingen daarvan in het oog worden gehouden.

Persbureaus
Een tweede kritiekpunt is dat er te veel vertrouwd zou worden op de Westerse persbureaus. Een nieuwsmedium is zonder meer afhankelijk van de persbureaus als het gaat om nieuws. Geen buitenlandcorrespondent is in staat om in een hele regio alle nieuwsfeiten op te pikken. De persbureaus zijn in deze onovertroffen, simpelweg doordat zij overal hun mensen hebben. De kritiek dat persbureaus te veel uitgaan van informatie uit officiële bronnen is juist, maar dat is onvermijdelijk.

Dat de persbureaus te weinig moeite doen om informatie te halen bij de oppositie is ook juist, maar voor de eerste signalering van nieuwsfeiten is er vaak geen alternatief, al was het maar omdat nieuws aangereikt door alternatieve groepen meestal oncontroleerbaar is. De overheid is een bekende grootheid, waardoor een inschatting gemaakt kan worden van de betrouwbaarheid van de berichten. Waterdicht is dit natuurlijk allerminst, maar het is iets. Daarmee is toegegeven dat de persbureaus (en zij niet alleen) gedeeltelijk de oren laten hangen naar de machthebbers. Een gegeven dat buitenlandredacteuren nooit mogen vergeten, maar onvoldoende reden om de persbureaus geheel te diskwalificeren.

De persbureaus doen te veel aan incidentenjournalistiek, zo luidt een derde kritiekpunt. Dat is maar gedeeltelijk waar. Regelmatig verschijnen er op de persbureaus de zogenoemde features, die onderwerpen behandelen, vaak los van de actualiteit. De meeste kranten hebben daar echter geen ruimte voor, zodat deze vaak de drukpers niet halen. Als het goed is dragen deze features bij tot de achtergrondkennis van de bureauredacteuren. Bovendien is de voornaamste taak van de persbureaus misschien wel die incidentenjournalistiek: het melden van nieuwsfeiten. Laat specialisten, inclusief goed ingewerkte bureauredacteuren, maar voor de duiding zorgen.

Critici van de buitenlandjournalistiek vinden verder dat correspondenten niet op de goede plaatsen worden ingezet. Het gaat hier natuurlijk om keuzes, die nooit bevredigend zijn, maar de kritiek is gedeeltelijk terecht. De correspondenten zitten op kluitjes bij elkaar in enkele Europese hoofdsteden, Washington, Moskou, straks op nog andere plekken in Oost-Europa, en mondjesmaat in de derde wereld (die term wordt irritant).

Voor een deel is het logisch dat correspondenten vooral daarheen gestuurd worden, waar het meeste nieuws vandaan komt. Het effect is evenwel dat diverse correspondenten dezelfde onderwerpen doen. Dat geldt niet alleen voor correspondenten van verschillende nationaliteiten, maar ook voor Nederlandse correspondenten. Soms zal dat verschillende invalshoeken opleveren, maar in veel gevallen is de consensus zo groot, dat inhoudelijk de verhalen nauwelijks verschillen. Alleen de individuele stijl is nog herkenbaar. Een tweede effect is dat grote delen van de wereld zelden de krant halen.

Andere bronnen
Er zou iets voor te zeggen zijn dat correspondenten zich concentreren op verhalen, die niet uit andere bronnen komen. Daarvoor zijn ze echter te duur en media willen nu eenmaal graag laten zien dat hun correspondent ook bij die belangrijke gebeurtenis is. De lezer zou het - lijkt mij - ook niet begrijpen als de correspondent in Washington de Amerikaanse verkiezingen niet zou verslaan, omdat die ook goed te verslaan zijn door gebruik te maken van de persbureaus in combinatie met analyses en opinies van bureauredacteuren en commentatoren.

Onvermijdelijk bestaat het werk van decorrespondent er dus gedeeltelijk uit te herhalen wat er al gedaan is. “De kranten overschrijven”, zoals soms schamper over correspondenten wordt gezegd. De originaliteit van correspondenten zal in veel gevallen voornamelijk zitten in de reportages, die niet voor de hand liggen, zodat niet tegelijkertijd soortgelijke verhalen elders verschijnen. Verder is een correspondent van waarde bij verhalen met een duidelijk Nederlandse invalshoek. (Het binnenhalen van ‘scoops’ is voor de journalist uit het kleine Nederland veelal een ijdele droom.) Hetzelfde gebeurt bij grote evenementen, waar hordes verslaggevers, bureauredacteuren of correspondenten naar toe trekken. De ontroerende verhalen bij het afbreken van de Berlijnse muur, verschilden nauwelijks van elkaar wat betreft de inhoud. De citaten verschilden alleen doordat iedere journalist een andere voorbijganger aan zijn jasje trok. Als het gaat om verre landen, die relatief onbekend zijn, dan moeten er zoveel feiten worden uitgelegd, dat de verschillen in inhoud nog kleiner worden. Daar waar hordes journalisten bijeen zijn is het enige echte resultaat van hun inspanningen vaak het opschrift ‘door onze speciale verslaggever’. De inhoud van de stukken en de onderwerpkeuze verschilt vaak maar mondjesmaat.

In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat de onderwerpkeuze van buitenlandredacteuren en hun correspondenten vaak weinig origineel is. De grote onderwerpen spreken voor zich, die doet iedereen. Maar ook voor wat betreft de kleinere onderwerpen geldt dat vaak onderwerpen gekozen worden, die iemand elders al is tegen gekomen. Dat komt voor een deel door tijdgebrek. Bijna geen enkele journalist heeft echt vaak de tijd om te brainstormen en nieuwe dingen te bedenken. Voor een deel bestaat er ook een soort uitgesproken consensus van wat relevante verhalen zijn. Die consensus is deels een product van het heersende denken van onze tijd en weerspiegelt de belangstelling, die men in Nederland heeft. Deels werkt dat beperkend en worden originele onderwerpen in de journalistiek niet vaak genoeg aangesneden.

Overigens moeten we niet al te dramatisch doen over het gebrek aan originaliteit. Journalistiek is voor een groot deel (waagt iemand zich aan een percentage?) het doorgeven van informatie, het aanpassen van de informatie aan het formaat van het medium, aan de lezer enzovoorts. Dat is ook helemaal niet erg. Journalistiek is gewoon minder creatief dan we onszelf graag wijs maken. (Enkele grote journalisten buiten beschouwing gelaten.) Journalistiek, en zeker ook de buitenlandjournalistiek, is grotendeels een ambacht. Dat geldt voor de correspondent, die het algemene nieuws bewerkt, voor de bureauredacteur die een nieuwsanalyse schrijft na die in de buitenlandse pers gelezen te hebben en ga zo maar door.

Ook is het onjuist om erg schamper te doen over het overschrijven van de kranten door correspondenten. Iemand die in het buitenland woont, daar de gebruiken een beetje kent en dagelijks de kranten leest, heeft veel meer feitenkennis en ontwikkelt meer gevoel voor de plaatselijke verhoudingen dan een bureauredacteur op de redactie in Nederland. Dat geldt natuurlijk minder als de betreffende correspondent over ‘naburige’ landen schrijft, die uren vliegen ver weg liggen.

Voor zo ver ik dat kan overzien lezen weinig bureauredacteuren in Nederland bladen uit de derde wereld, omdat abonnementen duur zijn en de bezorging vaak schoksgewijs verloopt. De voornaamste reden is echter dat er al zo veel te lezen is in dit informatietijdperk: de stapels telexen, de gerenommeerde kranten uit Engeland, Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten, de bladen als The Economist, South en ga zo maar door. De Afrika-redacteur, die daarna nog tijd heeft om de weekbladen uit bijvoorbeeld Kenya en Nigeria te lezen, als zijn hoofdredacteur al een abonnement wil nemen, bestaat denk ik niet.

In hoeverre brengen de ontwikkelingen in Oost-Europa nu verandering in de buitenlandjournalistiek? Op de korte termijn is een massale inzet van middelen in en rond Oost-Europa te verwachten, zoals in De Journalist van 26 februari jongstleden al werd aangegeven. De ‘Oost-West watchers’ zien hun onderwerp ineens in een stroomversnelling raken. Er zullen nieuwe specialisaties gecreëerd worden en de Europese Gemeenschap, tot voor kort een vaak ingewikkeld en ondankbaar onderwerp door haar complexe bureaucratie, is ineens een boeiend onderwerp geworden in de context van de Duitse hereniging en de democratisering van Oost-Europa. Europa 1992, die wat mystieke slogan van de laatste jaren, is in een heel ander daglicht komen te staan. De grote belangstelling voor de veranderingen in Oost-West- en Europese verhoudingen is terecht. Die raakt ons in Europa zeer direct en verdient dus veel aandacht.

Derde-wereldjournalistiek
Maar waar moeten we heen met de zogenoemde derde-wereldjournalistiek? De laatste jaren nam de belangstelling in het westen voor de derde wereld al geleidelijk af, na de hausse van de jaren zeventig. Het schuldgevoel over de koloniale tijd sleet. We gingen steeds meer zien dat de regeringen van de net onafhankelijk geworden landen, die we aanvankelijk zo positief tegemoet traden, er een janboel van maakten. We kregen een terecht gevoel van ‘eigen schuld, dikke bult’.

Meer in het algemeen: we zagen de oplossing van het armoedevraagstuk, waar we zeker in Nederland zo mee begaan waren, geen stap dichter bij komen. Met de veranderingen in het geestelijk klimaat in Nederland, de komst van het ‘no nonsense’ tijdperk, verschoof de derde wereld met zijn schier onoplosbare problemen naar de rand van het gedachteveld van de meeste mensen, als zij al niet helemaal uit beeld verdween.

Toch blijft de armoedeproblematiek, samen met de milieuproblematiek, van het grootste belang voor de toekomst. Wat de milieuproblematiek betreft gaat het om de overleving van ons allemaal, bij de armoedeproblematiek hebben we het over het feit dat miljoenen mensen in deze wereld nog steeds geen menswaardig bestaan hebben. Dat mag zo langzamerhand een vreselijk versleten cliché zijn, maar het is daarom niet minder dramatisch.

De buitenlandjournalistiek, gericht op nieuws, op veranderingen, beleeft gouden tijden met de razend snelle gebeurtenissen in Oost-Europa. Maar dat mag niet het zicht doen verliezen op de schrijnende armoedeproblematiek elders, ook al stagneren de ontwikkelingen op dat gebied, zodat armoede, journalistiek gezien, een weinig bevredigend onderwerp is, waarvoor (zo wordt op menige redactie gedacht) weinig belangstelling meer is.

Ook mag onder geen beding de milieuproblematiek uit het oog verloren worden, ook al hebben we het daar over ingewikkelde materie met veel wetenschappelijk jargon en lange termijn effecten, die journalistiek vaak al even ondankbaar zijn.

Wereldproblemen
Buitenlandjournalistiek moet over de wereldproblemen gaan, ook als het de moeite kost die op een journalistieke manier voor het voetlicht te brengen. Derde-wereldjournalistiek blijft relevant, ze is alleen veel moeilijker geworden.

Meer mediacommentaren | Meer opinie | Contact