British flag  Bandeira brasileira
Plaatje familiewapen De Munnick


 

Plaatje Braziliaanse vlag De burgerlijke krottenwijk
Bouwvallige krotjes en drugshandel zijn stereotype

Bert Ernste

Eerder in verkorte vorm verschenen in Latijns Amerika nr. 5, 1993

Foto van favela in Rio (2013) In juli 1993 bericht het Amerikaanse televisiestation CNN dat in de Braziliaanse sloppenwijken een bende-oorlog gaande is. Het Comando Vermelho dreigt de macht in de favela Rocinha van Rio de Janeiro over te nemen. De media wekken de indruk dat krottenwijken bestaan uit bouwvallige krotjes en dat de bewoners allemaal drugshandelaren zijn. Dat is overdreven. Krottenwijken zijn veel meer dan dat. Sterker, sloppenwijken zijn -ondanks de inderdaad bestaande criminaliteit- veel gewoner dan we denken.

Als we de krottenwijk Rocinha in Rio de Janeiro binnen lopen, rennen er meteen een paar jongetjes voor ons uit. Zij gaan de drugsbazen waarschuwen dat er vreemd volk in de wijk is. In bijna alle krottenwijken van Rio de Janeiero, en dat zijn er meer dan 500, zwaaien handelaren in verdovende middelen op een of andere manier de scepter. Regelmatig worden de favelas (krottenwijken) van Rio opgeschrikt door schietpartijen, waar de politie meestal niets aan durft te doen. Ons bezoek aan Rocinha is dan ook goed voorbereid door een paar mensen van de stadsplanning van Rio de Janeiro, om conflicten met de handelaren in verdovende middelen te voorkomen. De jongetjes van de drugsbazen blijven we onderweg regelmatig tegenkomen, maar we kunnen ongestoord de hele wijk doorlopen. Sommige Hollanders in onze groep lopen door het water dat overal de hellingen afstroomt, klaarblijkelijk zonder te beseffen dat het hier gaat om wat in Nederland onder de grond via riolen gaat.

Centrum
Rocinha wordt op de Braziliaanse televisie altijd aangeduid als de grootste krottenwijk van Latijns-Amerika. Er zouden meer dan 500.000 mensen wonen, maar niemand weet het precies. Het woord krottenwijk blijkt trouwens meteen al zeer betrekkelijk. Bij krottenwijk denken de meeste mensen aan hutjes van blik, karton en plastic, ook al omdat fotografen en cameralieden het liefst de meest krottige huisjes vast leggen. Het moet dramatisch zijn nietwaar?

Rocinha blijkt echter een alleszins normaal centrum te hebben. In de belangrijkste winkelstraat vinden we stenen huizen, een groot aantal keurig gepleisterd en geschilderd in de zachtroze en zachtblauwe tinten, bekend uit het Middellandse Zeegebied. Het enige dat verraadt dat het gaat om een wijk, die niet planmatig is opgezet door een of andere overheid, is de ordeloze manier waarop de huizen naast elkaar staan. Ook de vreemde bochten, waarmee de waterreservoirs op de daken zijn verbonden met de keuken en de badkamer laten zien dat hier stukje bij beetje gebouwd is, zonder architect. Steeds als er weer geld was werd er wat aangebouwd en moesten de leidingen worden omgelegd. In veel huizen in het centrum van Rocinha staat een kleurentelevisie en op straat vinden we een respectabel aantal, overigens niet al te nieuwe, auto’s. Om dit relatief welvarende centrum heen liggen veel half afgemaakte huizen van mensen die later kwamen of om andere redenen nog niet genoeg geld hebben weten te bemachtigen. Daar weer omheen worden de huizen steeds armoediger en ‘hangen’ ze ook steeds gevaarlijker aan de berghelling. Hier vallen straks de slachtoffers als de zware regens komen, die soms hele stukken berghelling naar beneden doen komen in Brazilië.

Groene Hel
Anselmo Ferreira woont in Inferno Verde (Groene Hel), het armste deel van de krottenwijk Nova Brasília. Elke morgen gaat hij om twintig voor zes zonder ontbijt naar zijn werk, een wandeling van zes kilometer. Dat spaart het geld voor de bus. Als het regent vreest Anselmo voor zijn krotje. In 1988 blies een storm het dak van zijn huisje en het scheelde weinig of ook de muren van houtjes en gedroogde modder begaven het. “Als het regent en ik ben aan het werk dan weet alleen God hoe bang ik ben met mijn familie hier in huis.” Zijn droom is om een keer een stenen huis te hebben om daar zijn vele kinderen te kunnen opvoeden.

De wel zeer arme drommels van de Groene Hel vullen hun schamele inkomen aan op de vuilnisbelt vlakbij. Ze zoeken papier, karton, plastic zakken, metalen fittingen van lampen en ga zo maar door om in het weekeinde met de verkoop van de spullen een grijpstuiver te verdienen. Eliaci zegt, al rommelend in de vuilnis, dat ze niet meer weet hoe oud ze is. Ze komt uit de deelstaat Minas Gerais en woont sinds 1975 in de Groene Hel. Ze heeft vijf kinderen, vijf kleinkinderen en een achterkleinkind. Zij verzamelt fittingen, draagt water naar de huisjes in de wijk en bedelt om eten in de naburige middenstandswijk. Aan haar voeten, die bedekt zijn met duizenden scherfjes van lampen, heeft ze teenslippers. “Nee hoor, ik snij me nooit. Mijn voeten zijn eraan gewend.”

De mensen op de vuilnisbelt van de Groene Hel bevestigen het stereotype van de krottenwijk: arme sloebers in krotten van blik, plastic en karton of met modder aangesmeerde houtjes, die leven van de vuilnisbelt. Het stereotype klopt, maar is maar een deel van de werkelijkheid. De meeste zogenaamde krottenwijken hebben een centrum, zoals dat in Rocinha, met stenen huizen en winkels, waar mensen wonen, die net zo veel verdienen als de Brazilianen ‘op het asfalt’, zoals in de Braziliaanse favelas de stad buiten de sloppenwijken wordt aangeduid. De elektriciteitsmaatschappijen haasten zich altijd om elektriciteit aan te leggen in de illegale buitenwijken, want als zij dat niet doen, dan tappen de bewoners wel ergens ‘gratis’ elektriciteit af.

Parallelle economie
Naast goede huizen en elektriciteit kennen de favelas ook een uitgebreide parallelle economie. Lenita Vieira Soares (55) bijvoorbeeld, maakt samen met haar zoon Leonel gebakjes en andere zoetigheid in de krottenwijk Nova Brasília. Zij is volgeling van een protestantse secte, hij is een overtuigd communist. “Een kwestie van democratie”, zegt hij opgewekt naast zijn moeder werkend in de keuken. Van de vijftien kinderen van Lenita zijn er nog negen in leven. Nemoel, elf jaar oud, helpt de zoetwaren te verkopen als hij terug komt van school. Een heel andere handel heeft Djalma Baptista, bijgenaamd de ‘kale’. Hij maakt kunstgebitten in een ruimte van 2 bij 1,60 meter onder de trap van het gebouw van het bewonerscomité. Een praktijk ‘op het asfalt’ kreeg hij niet van de grond.

Behalve dit soort huisindustrie zijn er, behalve al genoemde winkels, ook grotere bedrijven in de krottenwijken van Rio de Janeiro. Er zijn bijvoorbeeld taxi- en transportbedrijfjes, garages en bandenreparatiewerkplaatsen. Een aantal beroemde kledingmerken maakt maar al te graag gebruik van kleine ateliers in de favelas. Valmor Pereira do Nascimento heeft acht naaisters en vier helpsters in dienst en produceert 10.000 kledingstukken per maand in de wijk Nova Brasília. Vorig jaar heeft hij zijn bedrijf zelfs weten te legaliseren. Met een glimlach vertelt Valmor dat hij, toen hij in 1966 uit de deelstaat Minas Gerais naar Rio de Janeiro kwam, nog nooit een lift had gezien.

Edmilson Floriano da Silva (35) in de wijk Nova Brasília is postbesteller, maar dan niet van de PTT, maar in dienst van het bewonerscomité van de wijk. De PTT weigert post te bezorgen in de krottenwijk, omdat de namen van de straten niet officieel geregistreerd zijn. ’s Avonds haalt Edmilson de post op bij het kantoor van de bewonersvereniging en thuis legt hij de poststukken op volgorde. De volgende ochtend worden die bezorgd, zo’n 200 per dag. De meeste krottenwijken van Rio hebben zo hun eigen postdienst opgezet. De voorzitter van het bewonerscomité van Nova Brasília vertelt dat voorheen, toen Edmilson nog niet voor de post zorgde, mensen soms hun baan verloren doordat ze brieven met bijvoorbeeld een oproep niet ontvingen. Ook kwam het voor dat mensen onkundig bleven van het overlijden van familie elders in het land. Veel krottenwijkbewoners in Rio komen uit het zeer arme Noord-Oosten van Brazilië.

Lang niet alle favelados leven dus van de handel in verdovende middelen, integendeel. Het overgrote deel probeert buiten het criminele circuit geld te verdienen. Niet voor niets is het bijkantoor van de Staatsbank van de deelstaat Rio de Janeiro in de krottenwijk Rocinha, het enige dat nog nooit een ongedekte cheque terugkreeg.

Sombere toekomst
De druk is echter groot. De armoede wordt in Brazilië steeds groter. De actie tegen honger, die op dit moment gaande is in Brazilië zegt meer over de emotionaliteit van de rijke Brazilianen dan over de mate van honger in Brazilië, die was altijd al groot. De economische plannen van Brazilië’s vorige president Fernando Collor de Mello zijn na alle hoop toen hij aantrad absolouut mislukt. Collor zelf bleek -ondanks al zijn verbale aanvallen op corruptie en fel verwoorde beloftes van verandering- zelf een cocaïnegebruikend, steekpenningen verslindend verwend jongetje te zijn. Zijn opvolger is een aardige man, die geen beleid voert. De inflatie is terug op bijna dertig procent per maand (!) en er zijn opnieuw plunderingen van supermarkten gemeld. Het bestuurlijk apparaat van Brazilië is door de omvang van het land (ruim 140 miljoen mensen) en door wildgroei in het ambtenarencorps zeer groot en daardoor zeer log en in alle lagen corrupt. Hier wreekt zich ook dat Collor de Mello geen grote politieke partij achter zich heeft staan, maar gekozen werd vanwege zijn slogans, die veel beloofden. Om een land van de omvang van Brazilië te hervormen is heel wat meer nodig.

In de sloppenwijken ontbreekt de overheid zelfs bijna helemaal. In veel gevallen durft de politie de favelas niet eens in. De drugsbazen vullen het vacuüm gedeeltelijk. Zij kopen een zekere steun van de bewoners door geld te geven voor crêches en scholen en zo nu en dan een groot feest te geven. In sommige wijken vormen de drugsbazen een soort rechterlijke macht. Zoals Walter Ramos de Oliveira, voorzitter van het bewonerscomité in de krottenwijk Vila São Jorge zegt: “De drugshandelaren vormen de bestuurlijke macht en daarmee winnen zij steun en zelfs de sympathie van de bewoners. De drugshandel maakt gebruik van de erbarmelijke situatie van deze gemeenschappen om zijn naam te vestigen. De staat helpt niet, de drugsbazen wel.”

Volgens onderzoek uit 1992 van het Braziliaanse bureau voor de statistiek leeft de helft van de 59 miljoen Braziliëaanse kinderen tussen 0 en 17 jaar in een gezin, dat moet leven van een half minimumloon of minder. Wie dan bedenkt dat het minimumloon in Brazilië op zich al niet genoeg is voor een normaal bestaan, kan op zijn vingers natellen wat dat betekent: doffe ellende. In Brazilië wordt zestig procent van de kinderen geboren in huizen waar geen stromend water en geen riolering is. Geen wonder dat veel kinderen veel te jong moeten gaan werken en dat zij gemakkelijk vervallen tot roof of erger.

Dat leidt tot een nare vicieuze cirkel: de armen roven, wat anderen weer de gelegenheid geeft wat bij te verdienen als bewaker, maar vraag niet hoe. Veel politie-agenten verdienen bijvoorbeeld zo weinig dat zij in de avonduren, al dan niet inuniform, wat proberen bij te verdienen als bewaker van winkels. Jongetjes, die toch proberen die winkels te beroven krijgen in eerste instantie vaak een pak slaag, maar in veel gevallen neemt het geweld van deze informele bewakingsdiensten snel toe, ook al vanwege de frustratie. In veel gevallen glijden deze bewakingsdiensten af naar het gebruik van excessief geweld en in sommige gevallen laten zij zich inhuren als doodseskader van winkeliers of de drugsbazen. Die doodseskaders deinzen er niet voor terug om ook straatkinderen af te maken, als die ‘te veel in de weg zitten’. De afgelopen jaren zijn er duizenden straatkinderen vermoord in Brazilië.

Rondzingen
Dat soort verhalen haalt bij herhaling de wereldpers en blijft vervolgens lange tijd rondzingen. Bijna alle omroepen en kranten hebben in de loop van het afgelopen jaar wel een reportage over de noden van straatkinderen gepubliceerd of uitgezonden. Ongewild ontstaat bij veel mensen het beeld dat alle straatkinderen misdadig zijn, lijm snuiven (het verdovende middel van de armen) en dat velen afgeschoten worden door doodseskaders. De bekende vergrootglaswerking van de journalistiek. In Rio de Janeiro bestaat een krant O Povo (Het Volk), die dagelijks met veel gore details de moordpartijen in de krottenwijken en de ontdekking van dumpplaatsen van lijken meldt. Wie die krant serieus neemt gaat met het eerstvolgende vliegtuig terug naar Europa. De krant schroomde bijvoorbeeld niet om de straatkinderen ‘ratten’ te noemen en te schrijven dat er maar een oplossing voor ze is: ze uit de weg ruimen. Veel van de verhalen zijn waar, maar tegelijk zijn ze maar een klein stukje van de werkelijkheid.

Protestantse sectes
De meeste mensen in de favelas willen eerlijk hun boterham verdienen. Zwart werken willen ze best, maar de meesten proberen zich verre te houden van de criminelen. Niet voor niets vinden allerhande protestantse secten in de krottenwijken veel aanhang. De protestanten preken eerlijkheid en manen de mensen goed te doen, om daarmee snel de gunst van God te winnen. De Roomskatholieke kerk heeft voor veel armen in Latijns-Amerika haar aantrekkingskracht verloren. Voor een deel is dat omdat de katholieke kerk vaak heulde met de militaire regimes, maar veel Brazilianen zijn ook teleurgesteld in het progressieve deel van de kerk. De basisgemeenten, die opriepen tot sociale actie, hebben vaak weinig kunnen bereiken, omdat het Braziliëaanse sociale systeem en de ongelijkheid in de wereld zeer weerbarstig blijken te zijn. Als er dan een protestantse secte komt, die onmiddellijke resultaten in het hier en nu belooft (en niet in het hiernamaals), dan trapt menige simpele ziel daarin, omdat het houvast biedt in sombere tijden. Sommige Brazilianen geven zelfs van hun armoedje nog grote bedragen aan allerhande nepdominees, die in ruil alleen maar valse hoop wekken. Voor een aantal dominees, zoals João Viana, een mooie bron van inkomsten. In het dagelijkse leven is Viana straatveger.

In de krottenwijk Vila São Jorge is zelfs een affiche te vinden van een protestantse secte met het opschrift: “Hier wacht een wonder op u”. Dominee José Ramilton van de kerk is niet erg onder de indruk van de kritiek die katholieken hebben op zijn commerciële werkwijze. “Het is niet onze schuld als de genezing meteen komt.” Tijdens de dienst schreeuwt hij, met zijn hand op het hoofd van een vrouw, die zegt erg ziek te zijn: “God is aan het werk. God is aan het werk. Het wonder zal onmiddellijk zijn!” De vrouw zegt beduusd dat ze genezen is. Om de ergste opportunisten onder de nieuwe dominees een halt toe te roepen, eist het bewonerscomité in de krottenwijk Vila São Jorge dat elke kerk, die in de wijk actief wil zijn, iets doet aan de sociale voorzieningen. Bijvoorbeeld een crêche beginnen of een school.

Een andere bron van geestelijke bijstand in de krottenwijken zijn de ‘bidsters’. Omdat er vaak geen medicijnen waren in de favelas, gingen veel mensen als ze ziek waren naar deze gebedsgenezers. Er zijn er nog steeds een aantal actief, zoals Maria Rezadeira, nu 62 jaar oud, in de wijk Nova Brasília. “God, Onze Heer”, bidt zij, “geef dit kind kracht en neem haar kwalen mee naar de golven van de zee.” Het zieke meisje lijkt er niet beter op te worden, maar haar moeder is zichtbaar opgelucht.

Geen revolutie
Uiteindelijk willen de armen in de krottenwijken van Rio de Janeiro, of waar ook ter wereld, maar een ding: een goede toekomst voor zichzelf en vooral voor hun kinderen. In de wijk Vila São Jorge accepteert iedereen dat de stuwadoor Luiz Carlos da Silva er meerdere vrouwen op na houdt, zolang hij maar zorgt voor alle kinderen, die hij verwekt. Hij is op zijn vijfendertigste al opa en zorgt voor al zijn kinderen. Tussen zijn verschillende vrouwen bestaat op het oog dan ook geen enkele jalouzie. Maar ondanks het voorbeeld van Luiz overheerst in de krottenwijken van Rio de Janeiro een burgerlijke moraal: de meesten willen graag in het wit trouwen. Dat dat lang niet altijd lukt door de omstandigheden en onwetendheid, doet daar niets aan af.

De mensen, die in de jaren zestig en zeventig dachten dat deze armen in de krottenwijken ooit in opstand zouden komen en een revolutie teweeg zouden brengen, kwamen bedrogen uit. Er zijn wel eens voedselrellen in Brazilië, ook nu weer, maar een politieke beweging is onder de armen ver te zoeken. De dagelijkse slag om het hoofd boven water te houden eist alle aandacht op. De sporadische voedseloproeren dienen dan ook bijna altijd een direct doel: het vullen van de lege provisiekast door het plunderen van supermarkten.

Burgerlijk
Uiteindelijk blijken de krottenwijken een burgerlijke samenleving in spé te zijn. De rijken in Brazilië zijn bang voor de armen en verschansen zich achter muren en bewakers. Maar ze hoeven alleen maar bang te zijn voor degenen, die uit wanhoop gaan stelen. De revolutie komt niet uit de favelas.

Meer mediacommentaren | Meer Brazilië | Contact