British flag  Bandeira brasileira
Plaatje familiewapen De Munnick


 

Plaatje vlag West Papua In 1962 vertrok Nederland uit Nederlands Nieuw-Guinea

Onze laatste kolonie in de Oost

een persoonlijk en historisch verhaal

Bert Ernste

2000

Op 17 augustus 1962 zat ik als elfjarige knaap in een DC8 die opsteeg van Biak, Nederlands Nieuw-Guinea. De evacuatie van Nederlanders was in volle gang. 1 oktober 1962 zou de Nederlandse vlag op Nieuw-Guinea gestreken worden. Ingespannen tuurde ik naar de Hawker Hunter jachtvliegtuigen van de luchtmacht die ons escorteerden. We waren tenslotte verwikkeld in een koloniaal oorlogje met Indonesië. “Mama, ik kan de piloot zien zitten!”

[Sovjet onderzeeërs waren in die tijd al op weg om samen met Indonesische strijdkrachten Nederlands Nieuw-Guinea aan te vallen. De Sovjet-aanwezigheid in Indonesië was bekend, maar niet dat de aanval zo dicht bij was. De Volkskrant 10 februari 1999.]

Plaatje diploma KLM poolroute

Op school in Manokwari hadden we geoefend met luchtalarm. De juffrouw (zo heette dat toen nog) blies op haar fluitje en dan moesten we zo snel mogelijk onder de schoolbanken gaan zitten met een potlood of gummetje tussen de tanden tegen de luchtdruk van eventuele bommen. Later heb ik vernomen dat een gummetje daar te zacht voor is, want dat bijt je al snel door. In Hollandia, de hoofdstad van ‘ons’ Nieuw Guinea, maakt ik een keer een nachtelijk luchtalarm mee. Achteraf bleek het te gaan om een vliegtuig van onze eigen marine, dat ons kwam beschermen in verband met een vermoeden van een aanval. Aangezien radiostilte deel van de tactiek was haalde Hollandia die nacht -achteraf voor niets- sneller adem.

Plaatje vliegveld
Vliegveld van Manokwari

West-Nieuw-Guinea was bij de souvereiniteitsoverdracht van Nederlands Indië aan Indonesië in 1949 Nederlands gebleven, al was het lange tijd onderdeel geweest van Nederlands Indië. Indonesië had haar aanspraken op het westelijk deel van Nieuw-Guinea echter nooit opgegeven. De kwestie bleef bij de souvereiniteitsoverdracht ‘open’.

Nieuw-Guinea marginaal
Nederland heeft zich in de loop van de geschiedenis weinig aan Nieuw-Guinea gelegen laten liggen. Er was veel meer te halen in de rest van Indië. In 1606 deden de Nederlanders voor het eerst de kust van Nieuw-Guinea aan. West Nieuw-Guinea was toen een kolonie van de sultan van Tidore met wie de Hollanders een bondgenootschap hadden. De papoea’s verjoegen de Hollanders snel. In 1616 landde de Eendracht van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) op enkele eilanden voor de kust. Een van de eilanden werd vernoemd naar de stuurman: Schouteneiland. Tijdens een verkenningstocht in 1623 zag Jan Carstensz de eeuwig besneeuwde toppen van het Centrale Bergland van Nieuw-Guinea. Omdat de toppen meestal schuil gaan in een wolkendek is er lang aan Carstensz’ ogen getwijfeld, maar later zijn de bergen naar hem vernoemd. De papoea’s moesten niets hebben van de indringers en de VOC besloot om Nieuw-Guinea en ook Noord-Australië links te laten liggen als zijnde “onvriendelijke gebieden, waar geen winst te behalen viel.” Bijna twee eeuwen lang bleef dat zo.

Pas aan het einde van de 18e eeuw kreeg Europa weer belangstelling voor Nieuw-Guinea. Engelse schepen verkenden de mogelijkheid om vanuit Nieuw-Guinea het Hollandse specerijenmonopolie op de Molukken te breken. Om te voorkomen dat andere Europese mogendheden het gebied als kolonie zouden opeisen hadden de Hollanders al in 1660 en opnieuw in 1760 de souvereiniteit van de sultan van Tidore over alle ‘Papoea’se eilanden’ erkend. Met de sultan hadden de Hollanders een verdrag dat het specerijenmonopolie veilig stelde.

Tijdens de oorlogen tegen Napoleon bezetten de Engelsen Nederlands Indië, maar na de slag bij Waterloo in 1815 kreeg Nederland zijn kolonie terug. Er bleven echter geruchten opduiken over Engelse belangstelling voor Nieuw-Guinea. In 1824 ging daarom een oorlogsschip naar Nieuw Guinea. Twee jaar later vestigden de Nederlanders zich voor het eerst echt op Nieuw-Guinea en bouwden het fortje Du Bus ten noorden van het huidige Merauke. Malaria maakt dat het fort in 1836 al weer verlaten werd.

Wapenborden
In 1848 verklaarde het Nederlands-Indische Gouvernement dat West Nieuw-Guinea deel uitmaakte van Nederlands Indië. Pas vijftig jaar later gingen men over tot het vestigen van bestuurs- en politieposten. Tot die tijd was “het Nederlandsch gezag op Nieuw-Guinea vertegenwoordigd door op zeer groote afstanden aan de kusten geplaatste borden waarop het Nederlandsche wapen prijkte!”, schrijft mijn bet-bet-overgrootvader O.M. de Munnick in zijn memoires met de pakkende titel ‘Mijn ambtelijk verleden (1858-1894)’. De souvereiniteit over een gebied vele keren zo groot als Nederland door borden op het strand ...

Het waren Duitsland, dat begerige blikken wierp op West- (Nederlands) Nieuw-Guinea en Australië dat klaagde over koppensnellers die vanuit ‘ons’ deel het Australische (voorheen Britse) deel binnenvielen, die Nederland begin deze eeuw noopten om daadwerkelijk het bestuur over West Nieuw-Guinea op zich te nemen. Er kwamen vijftien grote bestuursposten, waar Nederlandse ambtenaren de scepter zaaiden en 50 kleinere met Indonesische bestuursassistenten. Pas later, tussen de wereldoorlogen, deed men pogingen om het binnenland van Nieuw-Guinea onder bestuur te brengen.

Ook het bedrijfsleven heeft nooit veel in Nieuw-Guinea gezien. Er waren langs de kust wat klappertuinen van Hollanders en Indo-Europeanen en Chinezen exporteerden een aantal bosprodukten. In de jaren ’30 kreeg het Japanse bedrijfsleven belangstelling voor Nieuw-Guinea, naar men aanneemt ter voorbereiding op de Tweede Wereldoorlog. Om die Japanse invloed tegen te gaan richtte men de Nederlandsche Maatschappij voor Nieuw-Guinea, de NEGUMIJ op. Er werden enkele olievelden gevonden.

Desondanks bleef Nieuw-Guinea zeer marginaal. Het was een goede, want onherbergzame plek om Indonesische nationalisten op te sluiten in twee concentratiekampen in Boven-Digoel. Voor de Tweede Wereldoorlog hoopte men dat Nieuw-Guinea een nieuw thuisland zou kunnen worden voor Indische Nederlanders. Vele van die Indische Nederlanders kwamen in de jaren ’20 en ’30 in een moeilijke situatie te verkeren toen zij in Nederlands Indië steeds meer het veld moesten ruimen voor Indonesiërs in lagere en middenfuncties bij overheid en bedrijfsleven. In Nederland werden deze plannen gesteund door de NSB (Nationaal Socialistische Beweging). Weinigen wilden naar Nieuw Guinea.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Nieuw-Guinea bezet door Japan. De Amerikanen verjoegen de Japanners in hun grote campagne in de Pacific.

Nederland houdt vast aan Nieuw-Guina
Toen Nederlands Nieuw-Guinea buiten de souvereiniteitsoverdracht van Nederlands Indië aan Indonesië bleef, was het zaak om het Nederlands gezag in onze laatste kolonie in de Oost te verstevigen. Begin 1950 vertrok de eerste naoorlogse compagnie mariniers per schip (de Tabinta) naar Nieuw Guinea. Landmacht en politie waren er al. Er werden veel patrouilles gelopen om te laten zien dat Nederland er weer was. Dat was hard werken, zoals een sergeant van de mariniers mij vertelde: “Voor een normaal iemand waren die kampongs vaak niet bereiken, nou, ja, wij waren zo’n beetje abnormaal. Eerlijk waar, je liep soms langs paden waar je de wolken onder je zag. En ik heb vaak meegemaakt dat mariniers niet meer verder durfden te gaan. Dan moesten we ze over een kloof of een berg dragen! Soms kwam je op een hele dag lopen helemaal geen water tegen. Die papoea’s, die kunnen daar tegen. Die weten waar je water kan vinden, in bamboe en lianen en al die dingen meer. Maar het zal je gebeuren dat een marinier van jou een vergiftigde liaan pakt. Dan ga je af als een gieter! En niet alleen dat hij dood gaat, maar je moet hem nog sjouwen ook!”

Plaatje landmachtembleem
Embleem van Koninklijke Landmacht op Nederlands Nieuw Guinea

Papoea’s koningsgezind
De papoea’s ontvingen de patrouilles meestal zeer hartelijk. Als ze zo’n patrouille hadden zien aankomen, en dat was meestal het geval, dan was de kampong bij aankomst helemaal geveegd. Was er een Nederlandse vlag, dan hadden ze die gehesen, soms ondersteboven. Een enkele keer was de ontvangst nog uitgebreider, zoals toen mijn vader (Th. Ernste) als luitenant met zijn patrouille op het eilandje Deer aankwam. In zijn verslag schreef hij: “Wie schetst onze verbazing, toen we op de steiger werden ontvangen met het ‘WILHELMUS’, geblazen op een 20-tal bamboefluiten, bespeeld door evenveel Papoea-jongetjes en -meisjes. Hun repertoir omvatte naast natuurlijk het Yankee-Doodle ook nog ‘vaderlandse’ wijsjes, zoals ‘Piet Hein’ en de ‘Blauw geruite Michiel’. (...) In tal van woningen troffen wij verouderde en vergeelde foto’s aan van Koningin Wilhelmina. Wij hebben de bewoners trachten duidelijk te maken, dat er nu een andere Koningin in Nederland was, maar dat wilde er niet in, dat kon niet. Voor deze eenvoudigen van geest was de figuur van Koningin Wilhelmina van begrip, dat geen vervanging gedoogde.” Niet helemaal politiek correct dat ‘eenvoudigen van geest’, het waren andere tijden. Mijn vader schreef later een artikel over die tijd.

Papoea’s verheffen
Al in 1952 probeerde Indonesië haar aanspraken op Nieuw-Guinea kracht bij te zetten door militairen te laten infiltreren in het gebied. Dat jaar werden 37 Indonesiërs, waaronder drie vrouwen, afgezet op het eiland Gag. Van daaruit pleegden zij rooftochten, waarbij winkels werden overvallen en beroofd. Het duurde geruime tijd voordat zij allemaal waren gepakt. In 1954 werd bij de kampongs aan de zuidkust, die het dichtst bij Indonesië lag een waarschuwingssysteem geïntroduceerd. Bij de kampongs werden twee boomstammen gelegd die uit de lucht goed te zien waren. Evenwijdig betekende dat alles in orde was en als ze gekruist lagen dan was er onraad. Eerder moesten de papoea’s vaak dagen roeien voordat ze de autoriteiten konden waarschuwen. In de loop der jaren nam de dreiging van een grote invasie door Indonesië steeds meer toe.

Plaatje vlag West Papua Foto Papoea Vrijwilligerskorps
Een eigen vlag en het begin van een eigen leger: Papoea Vrijwilligerskorps (Foto Th. Ernste)

Nederland begon in de jaren ’50 eindelijk met het ontwikkelen van Nederlands Nieuw-Guinea. Dit was duidelijk ingegeven door de wens om de internationale positie te versterken, want er was weinig internationale steun voor het hardnekkig vasthouden aan Nieuw-Guinea. In de uitvoering van de ontwikkelingsplannen werd oprecht geprobeerd om Nieuw-Guinea en de bevolking tot ontwikkeling te brengen, maar het bleef een proces dat vooral werd ingegeven door de internationale politiek, die in de naoorlogse periode weinig op had met koloniale machten. In 1959 werd een Papoea Vrijwilligerskorps opgericht, het begin van een eigen strijdmacht. In 1961 waren er verkiezingen voor een Nieuw-Guinearaad, waarin de papoea’s vertegenwoordigd waren. Nederlands Nieuw Guinea kreeg een eigen vlag en een volkslied. Ooit, zo was de bedoeling, zouden de papoea’s via een referendum mogen beslissen hoe zij bestuurd wilden worden. Op 16 februari 1962 sprak de Nieuw Guinearaad zich formeel uit voor een volksstemming in 1970. Het zou allemaal vergeefs blijken te zijn.

Jongensboek
In 1961 was mijn vader opnieuw naar Nieuw-Guinea gestuurd, nu met gezin. Als tienjarige jongen keek ik mijn ogen uit naar de papoea’s die het gras kwamen maaien. Dat waren Adam met zijn vrouwen, bergpapoea’s uit het Arfak-gebergte. Het was voor mij net een jongensboek. De veligheidsspeld in het oor van Adam intrigeerde mij mateloos, net als zijn lendendoek, die ik zeer kunstig geknoopt vond. Mijn moeder voelde zich aanvankelijk zeer onbehagelijk, want de vrouwen van Adam liepen ongegeneerd om het huis naar binnen te kijken wat die blanken daar toch allemaal deden. Als mijn moeder naar een andere kamer ging dan liepen ze buitenom mee om maar niets te missen.

Van ras en racisme wist ik niets. Dat de papoea’s met pijl en boog liepen, gekleed in peniskoker of lendendoek, maakte diepe indruk, want dat was spannend. Maar het was voor mijn tienjarige verstand vanzelfsprekend dat zij ‘anders’ waren. Dat gold ook voor andere etnische groepen, zoals de Indo-Europeanen en bijvoorbeeld onze Ambonese baboe (werkster). Een heel enkele keer had ik door dat er meer aan de hand was. Toen mijn moeder een fiets verkocht aan een papoea, vroeg die om een briefje als bewijs van de koop. Een papoea op een fiets werd in die tijd meteen verdacht van diefstal. Die uitleg van mijn moeder gaf ineens een doorkijkje naar mensen in een minder geprivilegieerde positie. Perplex was ik toen een klasgenootje van Indo-Europese afkomst zijn rasbewustzijn ten toon spreidde. Een derde klasgenootje maakte hem erop attent dat zijn edele delen uit zijn korte broek puilden. “Dat geeft niet”, zei hij, “ik heb een bruine en daar zijn belanda’s (blanken) bang van.” Ik snapte daar niets van, maar had wel door dat er iets was en was blij dat ik geen rol in het gesprek had gespeeld. Papoea’s waren er niet op de twee scholen die ik bezocht.

Dat Indonesië aanspraak maakte op Nieuw-Guinea was mij als tienjarige wel duidelijk. In mijn beleving toen was Indonesiës president Sukarno een soort boeman, die gemeen deed tegen ‘ons’ en schreeuwerige toespraken hield (al had ik die nooit gehoord). Voor een jongen die zo kort na de tweede wereldoorlog onvermijdelijk de nodige oorlogsboeken had gelezen, was het trouwens ook wel spannend. Ik speelde veel militaire spelletjes, plakte tentjes in elkaar van papier en lucifers, die ik daarna zeer kundig van camouflagekleuren voorzag. Op school oefenden we luchtalarm.

Zo jong als ik was, kreeg ik natuurlijk een stuk van de heersende ideologie mee: wij waren goed bezig met Nieuw-Guinea en de papoea’s, wij waren ze aan het helpen te ontwikkelen, zodat zij later op eigen benen zouden kunnen staan. De grote boze buitenwereld was tegen ons, terwijl we het zo goed bedoelden. Met vriendjes ging ik in Hollandia kijken naar een pro-Nederlandse demonstratie van papoea’s. Op enige afstand voor de demonstratie liep een papoea met een rood overhemd en een witte broek. Omdat de Indonesische vlag rood-wit is, wisten wij knapen het meteen: opgewonden vertelden wij elkaar dat dat een pro-Indonesische vuilak was.

Foto demonstratie
Pro-Nederlandse demonstatie in Hollandia 1962

Uitgaande van de situatie toen wij vertrokken, is het trouwens waar dat Nederland het beter voor had met Nieuw-Guinea dan Indonesië zoals ook de geschiedenis sinds 1962 leert. Al waren lang niet alle papoea’s daarvan overtuigd, zoals blijkt uit het verslag van een zitting van het Nationaal Congres in de Nieuw Guinea Koerier.

Nederland had Nieuw-Guinea echter eeuwen links laten liggen en was pas aan de papoea’s gaan denken toen dat in de periode van dekolonisatie van de na de tweede wereldoorlog een goed argument leek te zijn om te proberen aan Nieuw-Guinea vast te houden. Niet voor niets was in 1962 nog steeds meer dan 90 procent van de papoea’s analfabeet. Voor de wereld kwamen de Nederlandse plannen veel te laat en de angst dat Indonesië communistisch zou worden maakte dat Nederland internationaal weinig steun kreeg. Bijgevolg moest Nederland Nieuw Guinea verlaten onder dreiging van een koloniale oorlog met Indonesië en knutselde ik militaire tentjes in elkaar.

Nederland druipt af
Op 1 oktober 1962 droeg Nederland de macht over aan een overgangsbewind door de Verenigde Naties. Op een filmpje van mijn vader zie ik de Pakistaanse troepen binnenmarcheren met Schots geruite schoudermantel en doedelzak, tastbare herinneringen aan Pakistans eigen koloniale verleden. Op 1 mei 1963 dragen die de macht over aan Indonesië.

Nederland had nog wel een volksstemming bedongen, maar de eisen waar het referendum aan moest voldoen, waren zeer beperkt. In 1969 hield Indonesië de volksstemming, niet via het systeem one man, one vote, maar via 1025 kiesmannen, die door Indonesië waren aangewezen. Lang niet alle lagen van de bevolking waren vertegenwoordigd en alleen door Indonesië toegestane partijen mochten meedoen. De oppositie was alleen daardoor al vrijwel uitgeschakeld. Desondanks was nog veel intimidatie nodig om tot een unaniem besluit van de kiesmannen te komen.

Indonesië saboteerde verder de toch al beperkte controle van het proces door de Verenigde Naties. Zo kregen de waarnemers geen inzicht in de criteria voor het aanwijzen van de kiesmannen. De VN delegatie schreef onder meer in haar rapport: “De petities tegen aansluiting bij Indonesië, de gevallen van onlusten in Manokwari, Enarotali en Waghte, de aantallen mensen die vluchten naar dat deel van het eiland dat door Australië wordt bestuurd, en het bestaan van politieke gevangenen (...) tonen aan dat er ongetwijfeld elementen onder de bevolking van West-Irian zijn, die zeer voor anafhankelijkheid zijn.” Verder schreef de VN-delegatie dat Indonesië te weinig had gedaan om vrijheid van meningsuiting, vrijheid van beweging en vrijheid van vergadering te waarborgen. “Het (Indonesische) bestuur oefende voortdurend een sterke politieke controle uit over de bevolking”.

Nederland, de Verenigde Staten en Australië werkten actief mee aan het verdoezelen van de werkelijke gang van zaken bij de volksstemming. Zo werd onder meer een papoeadelegatie, die bij de Verenigde Naties wilde aantonen dat vele West-Papoeaanse leiders vòòr onafhankelijkheid waren, door bemoeienis van Australië en Nederland tegengehouden. Ze hebben de VN niet bereikt. (Zie NRC Handelsblad van 28 augustus 1999.)

Toch accepteerde de VN de ‘volksstemming’ als “de vrije keuze van de papoea’s, zoals voorzien in de verdragen”. Er is alle reden om deze uitspraak te betwisten, want zij is genomen op volstrekt ondeugdelijke gronden. De bevolking van West Nieuw-guinea heeft zich nog nooit echt kunnen uitspreken over zelfbeschikking. Niet voor niets kopt NRC Handelsblad op 4 maart 2000 op basis van tot dan toe geheime documenten nog eens ‘Raadpleging van Papoea’s was farce’. Praktisch gesproken is West Nieuw-Guinea opnieuw gekoloniseerd.

Zie ook andere artikelen in het dossier van NRC Handelsblad over de strijd van de papoea’s.

Meer West Papua | Meer koloniale geschiedenis | Contact