British flag  Bandeira brasileira
Plaatje familiewapen De Munnick


 

Plaatje vlag Fretilin De kwestie-Oost-Timor: dekolonisatie of annexatie?

Bert Ernste

Internationale Spectator, oktober 1987

De strijd in Oost-Timor gaat nog steeds door, ondanks de stilte die er in de internationale media en de diplomatieke fora rond de kwestie heerst. In juni jongstleden ontving de vice voorzitter van de Portugese christen-democratische partij (CDS, Centro Democrático Social), Miguel Anacoreta Correia, een brief met bijlagen uit Oost-Timor, waaruit blijkt dat het verzet van de bevolking tegen de Indonesische machthebbers zich zelfs weer uitbreidt. Ook de acties van de Indonesische strijdkrachten tegen het verzet nemen weer toe, zo blijkt uit de documenten. Volgens de Portugese politicus zijn de brief en de tachtig pagina’s documenten echt en is de inhoud in overeenstemming met informatie uit andere bronnen.1)

Anacoreta Correia bezocht in juli 1986 Oost-Timor; hij rapporteerde dat er in het gebied “een aanzienlijke weerstand heerst tegen de Indonesische bezetting”, ondanks de vooruitgang op sociaal en economisch gebied die er volgens de politicus de laatste tijd is geboekt. Het verzet in Oost-Timor is echter nog steeds actief, zo meldt hij verder. Dat verzet beperkt zich niet tot enkele guerrillastrijders in de bergen, maar heeft ook steun in de hoofdstad Dili.2)

Oost-Timor is een tragische geval in de geschiedenis van het kolonialisme. Toen de Hollanders in het begin van de zeventiende eeuw de Portugezen verdreven uit wat nu Indonesië heet, behield Portugal slechts het oostelijk deel van het eiland Timor, een deel van Solor en het oostelijk puntje van Flores. Dat was vooral te danken aan de Dominicaanse missionarissen, die er vaak privélegers op na hielden, bestaande uit slaven.3) Zo bleef een gebied van slechts een kleine 19.000 vierkante kilometer met een bevolking van slechts ruim 600.000 (1970) eeuwen lang een Portugese kolonie. Daardoor ontwikkelde zich een geheel aparte bevolkingsgroep, die bovendien voor een belangrijk deel katholiek is. Indonesië, waartoe Oost-Timor nu feitelijk behoort, is overwegend islamitisch. Overigens slaagde Portugal er pas in 1910 in het gehele gebied te pacificeren.

De verzetsbeweging in het Oost-Timor van nu, het Frente Revolucionário de Timor Leste (Fretilin) beroept zich er op dat Oost-Timor niet volgens de regels van de Verenigde Naties werd gedekoloniseerd. Dat moet Portugal volgens het Fretilin alsnog doen, omdat dat land formeel nog steeds de koloniale machthebber in Oost-Timor is. De VN stellen zich formeel op hetzelfde standpunt.

De voorkeur van het Fretilin om door Portugal gedekoloniseerd te worden betekent niet dat Portugal zo’n plezierige koloniale macht is geweest. De uiteindelijke ‘pacificatie’ in 1910 ging gepaard met veel geweld. (Zo’n 3.000 Timorezen zouden daarbij omgekomen zijn.4) In de Tweede Wereldoorlog kregen de Timorezen te lijden onder Japans geweld. Australië stuurde, ondanks Portugals neutraliteit, in 1941 enkele honderden soldaten naar Oost-Timor, om te voorkomen dat de Japanners het eiland zouden gebruiken als springplank voor een aanval op Australië. Dat lokte een Japanse aanval op Oost-Timor uit, waarop Japanse bezetting volgde. In de strijd tegen de Japanners zouden 60.000 Timorezen gesneuveld zijn.5)

Na de Tweede Wereldoorlog ging Portugal eindelijk de ontwikkeling van Oost-Timor ter hand nemen, zodat in 1960 de situatie een stuk verbeterd was. In het begin van de jaren ’70 hadden Oosttimorezen verantwoordelijke posten bij de overheid, in het leger en in de kerk.6)

Het verhaal van de Indonesische invasie en bezetting van Oost-Timor is bekend.7) In 1974 vond in Portugal een staatsgreep plaats, waarbij de dictatuur van Marcelo Caetano (de opvolger van António Salazar) omver werd geworpen. Dat was aanleiding tot grote politieke activiteit op Oost-Timor, nu de beperkende maatregelen van de dictatuur opgeheven waren. De officiële partij van het oude regime ANP koos als nieuwe naam União Democrática Timorense (UDT). Deze partij werd geleid door hogere ambtenaren en plantage-eigenaren en kon rekenen op brede steun van de bevolking. Veel steun van de bevolking kreeg ook de Associação Social Democrática Timorense, waaruit korte tijd later het reeds genoemde Fretilin ontstond. Deze groepering bestond vooral uit intellectuelen, lagere ambtenaren, onderwijzers en studenten. De UDT wilde via een lange periode van associatie met Portugal komen tot de onafhankelijkheid van Oost Timor. Fretilin wilde onafhankelijkheid na een korte overgangsperiode. In 1975 stelden de UDT en het Fretilin een gezamenlijk programma op, maar hun bondgenootschap hield slechts enkele maanden stand. De derde politieke groepering was de Associação Popular Democrática Timorense (Apodeti), die streefde naar integratie in Indonesië. Apodeti had slechts beperkte steun van de bevolking.8)

In juli 1975 gingen leiders van de UDT op bezoek bij de Indonesische overheid in Jakarta. Volgens José Ramos Horta, een van de oprichters van het Fretilin en nu vertegenwoordiger van de beweging bij de Verenigde Naties, kreeg de delegatie de belofte dat Indonesië een onafhankelijk Oost-Timor onder leiding van de UDT zou steunen.9) Wat daar ook van waar is, een feit is dat in augustus 1975 groepen van leden van de UDT de macht in de steden van Oost-Timor grepen. Het Fretilin begon onmiddellijk een tegenaanval, die het binnen enkele weken in zijn voordeel besliste. Dat was te danken aan de grotere steun van de bevolking, een betere organisatie op het platteland en de steun van Timorezen die in het leger hadden gediend. Het Portugese bestuur trok zich terug op het eiland Atauro, waardoor een machtsvacuüm ontstond, of liever gezegd: geaccentueerd en min of meer geformaliseerd werd.

Gegeven dat machtsvacuüm nam Fretilin de regering op zich, zonder de onafhankelijkheid van Portugal uit te roepen. Volgens vrijwel alle waarnemers was het Fretilin bestuur niet slecht. Er werd veel gedaan aan scholing en de ontwikkeling van het platteland, zonder dat er bezittingen werden geconfisqueerd. Een aantal leden van de UDT werd in het bestuur opgenomen.

Indonesië beschouwde, geheel ten onrechte, het Fretilin als een communistische beweging. Zoals Horta schrijft: “We hadden allemaal een heel duidelijk beeld van het uiteindelijke doel en we waren ons volledig bewust van de complexe problemen op de weg naar onafhankelijkheid. Niemand van ons had echter een coherente ideologische visie over wat er na de onafhankelijkheid moest komen. Marxisme stond heel ver van ons af - de enige revolutionaire geschriften die wij kenden, waren die van Amilcar Cabral.”10) (Cabral was de revolutionaire leider van Guinee-Bissau en Cabo Verde.) In het optreden en de documenten van het Fretilin is dan ook weinig te vinden dat op communisme duidt. Om slechts een, recent voorbeeld te noemen: in een brief gedateerd 23 januari 1986 schrijft Xanana Gusmão, Fretilins leider in Oost-Timor: “Ons politieke perspectief bestaat uit een kader van politiek pluralisme, een gemengde economie en ongebondenheid (non-alignment).”11)

Indonesië vond een bewind van het Fretilin op Oost-Timor echter niet acceptabel en begon daarom met invallen in het gebied. (Indonesië beweerde steeds dat het ging om invallen door de UDT.) Het Fretilin vroeg vervolgens Portugal het bestuur over Oost-Timor weer op zich te nemen. Ook verzocht de beweging andere landen om waarnemers te sturen. Geen van beide verzoeken werd ingewilligd. Toen pas riep het Fretilin de Onafhankelijke Democratische Republiek Oost-Timor uit (28 november 1975). Op 7 december van dat jaar begon Indonesië zijn invasie van het gebied, wat leidde tot de militaire bezetting van Oost-Timor. Op 31 mei 1976 besloot een door Indonesië opgezette ‘volksvergadering’ dat Oost-Timor geïntegreerd moest worden in Indonesië

Verzet
Dat een groot deel van de Oosttimorese bevolking het daar niet mee eens was, moge blijken uit het harde optreden van de Indonesische autoriteiten. Dat harde beleid ging tot voor kort nog steeds door. Moorden, detentie zonder vorm van proces, martelingen en verdwijningen van gevangenen zijn uitvoerig door Amnesty International gedocumenteerd.12) Bij de pogingen van het Indonesische leger om het verzet van de guerrillastrijders van het Fretilin te breken werden burgers van Oost-Timor gedwongen om als menselijke schilden te dienen voor de Indonesische strijdkrachten. Acties van het Fretilin werden vaak beantwoord met represaillemaatregelen tegen de burgerbevolking. In veel gevallen werd de burgerbevolking gedwongen te verhuizen naar kampen, waar zij niet veel meer dan gevangenen waren. Op deze manier wilden de Indonesische autoriteiten voorkomen dat de dorpelingen steun gaven (al dan niet gedwongen) aan de guerrillastrijders. Vaak bevinden die kampen zich op plaatsen waar de grond te onvruchtbaar is om in de voedselvoorziening te kunnen voorzien. Volgens sommige schattingen is een derde van de Timorese bevolking als gevolg van de Indonesische invasie en de daarop volgende terreur omgekomen.13)

Het omstreden transmigratieprogramma van Indonesië, waarbij grote aantallen Indonesiërs uit dichtbevolkte gebieden op Java worden overgeplaatst naar gebieden als Oost-Timor, Irian Jaya, Flores, Bali, Sumatra, Kalimantan, Sulawesi, Halmahera en Ceram, dreigt de oorspronkelijke cultuur in die gebieden te verstikken. De ‘geïmporteerde’ Indonesiërs krijgen een groot aantal privileges (banen, landtoewijzing en dergelijke), die vaak ten koste gaan van de oorspronkelijke bewoners.14) In Oost-Timor werden priesters en religieuze groepen verplicht cursussen te volgen in de staatsideologie Pancasila van Indonesië. De roomskatholieke kerk van Oost-Timor besloot deze cursussen te boycotten.15)

De laatste tijd doet Indonesië pogingen om aan de misstanden paal en perk te stellen, maar dat is nog maar ten dele gelukt.16) De weerstand tegen het regime van generaal Suharto is nog steeds groot, zoals blijkt uit het reeds genoemde rapport van Anacoreta Correia. Ook is het de Indonesiërs, ondanks alle militaire middelen die in de loop der jaren zijn ingezet, nog steeds niet gelukt de guerrillastrijders van het Fretilin uit te schakelen. Het gaat waarschijnlijk om zo’n 700 rebellen op een bevolking van nog geen miljoen.17)

Het is duidelijk dat het verzet op Oost-Timor er nooit in zal slagen de Indonesische troepen en autoriteiten te verdrijven. Dat is niet alleen een kwestie van militaire macht en gebrek aan internationale steun, maar ook een gevolg van het feit dat de meerderheid van de Oosttimorezen het te druk heeft met overleven om het verzet actief te kunnen steunen.

Als Indonesië doorgaat met de bestrijding van de misstanden en onderdrukking van de laatste jaren en de Timorezen een eerlijke kans geeft, ook bij het bestuur van het gebied, zal het verzet wellicht afnemen. Of het Indonesische regime, met zijn centralistische houding vanuit Java, in staat zal zijn het zo ver te brengen, gegeven ook de corruptie in het overheidsapparaat, is vooralsnog echter de vraag.18)

Diplomatieke schandvlek
Voor de internationale diplomatie betekent de kwestie Oost-Timor, evenals Irian Jaya en Namibië, een schandvlek. Er is in Oost-Timor nooit sprake geweest van een echte keuze voor of tegen aansluiting bij Indonesië. De inlijving door Indonesië is dan ook door de Verenigde Naties nooit erkend. (In het geval van Irian Jaya kwam die erkenning er wel, na een omstreden en onder auspiciën van de VN gehouden volksraadpleging.19) In Namibië zoekt de illegale bezetter Zuid-Afrika nu al jaren naar een formule waarbij het Namibië onafhankelijkheid kan verlenen, zonder de South West Africa Peoples Organisation (SWAPO), die door de Verenigde Naties erkend is als de “enige en authentieke vertegenwoordiger” van het Namibische volk, de macht in handen te geven.20)

Desondanks is de internationale gemeenschap duidelijk geneigd de Indonesische bezetting van Oost-Timor als een voldongen feit te accepteren. Indonesië stelt zich op het standpunt dat de bevolking zich voor aansluiting bij de Indonesische republiek heeft uitgesproken toen een door Indonesië opgezette ‘volksvergadering’ zich in 1976 voor een dergelijk voorstel uitsprak. President Suharto stelt verder dat de Indonesische invasie in Oost-Timor diende om steun te geven aan de strijd tegen het kolonialisme. De belangrijkste reden voor Indonesië om vast te blijven houden aan Oost-Timor is nu - afgezien van het gezichtsverlies dat terugtrekking zou inhouden - vooral het feit dat er waarschijnlijk olie zit in de bodem van de Timorese Zee. Dat heeft ook de Australische regering ertoe gebracht om de bezetting van Oost-Timor te accepteren. Australië hoopt daarmee een gunstig klimaat te scheppen voor het verkrijgen van concessies voor de oliewinning.21)

De Verenigde Naties hebben steeds geweigerd de inlijving van Oost-Timor te erkennen. Voor de VN is Portugal nog steeds de koloniale machthebber, die het gebied volgens de regels dient te dekoloniseren. Het Fretilin dat uiteraard weet dat het geen kans maakt om de Indonesische bezetting met militaire middelen ongedaan te maken, zoekt naar een oplossing via diplomatieke weg, gebruik makend van het feit dat het formeel het gelijk aan zijn kant heeft. Het Fretilin is door de VN erkend als vertegenwoordiger van een deel van het Oosttimorese volk. (Niet als enige vertegenwoordiger, zoals de SWAPO van Namibië.) Sinds enige tijd werkt het Fretilin ook weer samen met wat er over is van de UDT.22) Informeel hebben de VN wel pogingen gedaan om de kwestie Oost-Timor op te lossen. Onder auspiciën van secretaris-generaal Perez de Cuellar hebben Indonesische en Portugese politici en diplomaten een reeks informele contacten gehad.

Geruime tijd zag het ernaar uit dat die informele diplomatie resultaat zou hebben. Portugal bleek duidelijk weinig moeite te willen doen voor het recht op zelfbeschikking van de Oosttimorezen, al werd dat wel altijd beweerd. Inmiddels heeft de Portugese regering zich echter gedwongen gezien haar standpunt wat te herzien. Vorig jaar zou Portugals premier Ánibal Cavaco Silva tijdens een bezoek aan de Verenigde Staten nog gezegd hebben dat de Indonesische bezetting van Oost-Timor een voldongen feit is. Terug in Portugal zwakte hij zijn uitspraken af en zei slechts gesproken te hebben van een gewoon feit en niet van een voldongen feit. Hoe dat ook zij, in oktober vorig jaar heeft de Portugese regering een voorstel van Indonesië inzake de kwestie Oost-Timor afgewezen, omdat dit geen garanties bood voor het recht op zelfbeschikking van de bevolking van Oost-Timor. Door de opleving van het verzet in het gebied en onder druk van de roomskatholieke kerk, die nu de Indonesische bezetting openlijk bekritiseert, ging de Portugese regering zich nadrukkelijker opwerpen als verdediger van het recht op zelfbeschikking van de Oosttimorezen.23) Inmiddels zijn de gesprekken tussen Portugal en Indonesië weer hervat.24)

Bij de parlementsverkiezingen van 19 juli jongstleden won de Sociaal Democratische Partij (PSD) van Ánibal Cavaco Silva een absolute meerderheid. (De PSD is ondanks haar naam een centrumrechtse partij.) In het programma van de nieuwe regering in Portugal is ten aanzien van de kwestie Oost-Timor een belangrijke wijziging opgenomen. In dat programma wordt niet meer gesproken van zelfbeschikking. Genoemd wordt alleen nog ‘een waardige oplossing’. Die oplossing “moet een garantie geven voor de cultuur en religieuze identiteit van het Timorese volk en het behoud van de Portugese culturele erfenis in het gebied”. Daarmee komt de Portugese regering duidelijk terug op haar houding vlak voor de verkiezingen.25)

Regeringswoordvoerders in Lissabon weigeren volmondig toe te geven dat het om een koerswijziging gaat. Het gaat er in eerste instantie om soepeler te zijn in de onderhandelingen met Indonesië, zo wordt in Lissabon gezegd. De Portugese regering kan een dergelijk koerswijziging ook niet op eigen houtje bewerkstelligen. In de Portugese grondwet is namelijk het recht op zelfbeschikking van Oost-Timor vastgelegd. Het feit dat de grondwet hier in het geding is betekent ook dat het Portugese parlement en de Portugese president Mário Soares, de voormalige socialistische leider, betrokken moeten worden bij het probleem. Zowel het parlement als de president stond tot nu toe op het standpunt dat de bevolking van Oost-Timor haar recht op zelfbeschikking moet kunnen uitoefenen.

Woordvoerders van de Portugese regering zeggen dat zij een grotere rol zien weggelegd voor de Verenigde Naties bij het vinden van een oplossing in de kwestie-Oost-Timor. Ook wil Portugal nu meer gebruik maken van het feit dat het lid is van de Europese Gemeenschap. Een regeringswoordvoerder spreekt zelfs van de mogelijkheid het vetorecht van Portugal te gebruiken om de handel van de Europese Gemeenschap met de Associatie van Zuidoostaziatische Naties (ASEAN) te blokkeren, als Indonesië een waardige oplossing voor Oost-Timor tegen blijft houden.26) Het lijkt echter zeer onwaarschijnlijk dat Portugal dat laatste middel zal willen of durven gebruiken.

Ook voor de VN zou het trouwens moeilijk zijn om een regeling van de kwestie-Oost-Timor te accepteren zonder een (op zijn minst symbolische) volksstemming of jets dergelijks, waarbij de bevolking zich (ogenschijnlijk) kan uitspreken voor of tegen aansluiting bij Indonesië. Het Indonesische regime zal zoiets waarschijnlijk nooit toestaan.

Kennelijk ontbreekt het de VN, dat wil zeggen de internationale gemeenschap, aan politieke wil om kwesties als Oost-Timor, Irian Jaya en Namibië tot een bevredigende oplossing te brengen, onder meer omdat het bezettende land regionaal een te machtige positie inneemt.

Zelfbeschikking
Bij problemen zoals die van Oost-Timor en Irian Jaya dringt zich steeds weer de vraag op of kleine volken recht hebben op zelfbeschikking. De vele landencomité’s in Nederland schermen vaak wel erg gemakkelijk met dat zelfbeschikkingsrecht. Elk volk of elke groep die cultureel, raciaal of religieus ‘anders’20) is, zo lijkt het vaak, zich beroepen op het recht van zelfbeschikking en zich afscheiden. Zo eenvoudig ligt het echter niet. Het is waar dat de Papoea’s Melanesiërs zijn en de Oosttimorezen een aparte groep vormen. Maar moeten zij zich daarom afscheiden van Indonesië? Indonesië kent vele rassen en culturen, dus ‘anders zijn’ is niet per definitie een reden voor afscheiding. In het internationale recht is het recht op zelfbeschikking dan ook niet zo simpel gedefinieerd.

Het recht op zelfbeschikking staat in het volkenrecht niet automatisch gelijk aan het recht op politieke onafhankelijkheid.27) Ten eerste mag een minderheid zich niet afscheiden als de centrale overheid voldoende rekening houdt met haar belangen. Het spreekt vanzelf dat daarvoor een zekere mate van democratie is vereist. Wanneer de mensenrechten van deze minderheid worden geschonden, is dat uiteraard ook een inbreuk op de belangen van die minderheid.

Die twee criteria, democratie en mensenrechten, zijn dan ook veel belangrijker dan raciale of culturele achtergrond voor de vaststelling of een volk of minderheidsgroep recht heeft op politieke onafhankelijkheid. Uit het respecteren van de democratische rechten en de mensenrechten volgt natuurlijk wel dat ook die raciale en culturele achtergrond wordt gerespecteerd.

Op beide punten is Indonesië in Oost-Timor en Irian Jaya in gebreke gebleven. atische rechten worden in heel Indonesië met de voeten getreden. Het transmigratieprogramma heeft de Papoea’s en de Oosttimorezen sterk in het nauw gedreven wat hun economische mogelijkheden en uitdrukking van hun culturele identiteit betreft. De wreedheden van de Indonesische militairen tegen de guerrillabewegingen en de bevolking in beide gebieden leidden tot schending van de mensenrechten op nog grotere schaal, zodat zowel de Papoea’s van Irian Jaya als de bevolking van Oost-Timor reden hebben om zich te beroepen op hun recht van zelfbeschikking. Dat Indonesië zowel in Irian Jaya als in Oost-Timor een soort volksstemming heeft gehouden krijgt door dit alles steeds minder gewicht, terwijl voor die ‘volksstemming’ bovendien in beide gevallen geen democratische procedures zijn gevolgd.

Zo lang Indonesië een autoritair regime heeft, maken Irian Jaya en Oost-Timor weinig kans hun rechtmatig deel te krijgen wat betreft economische rijkdom, democratie, culturele en religieuze vrijheid en verdere mensenrechten. Hun streven naar afscheiding is dan ook verklaarbaar en te billijken, ondanks de lichte verbeteringen die in Oost-Timor merkbaar zijn. (Een heel andere vraag is of kleine staten, zoals die er in het gebied van de Stille Oceaan wel meer zijn, levensvatbaar zijn.) Voorlopig lijkt het overigens meer te gaan om een negatief streven naar afscheiding van een onderdrukkende staat en veel minder een positief streven naar een eigen identiteit en staatsvorm.

Drs. A. E. Ernste is socioloog. Hij was van 1981 tot 1986 werkzaam in Lissabon als correspondent van diverse media. Sinds februari 1987 werkt hij voor Radio Nederland/Wereldomroep. Dit artikel werd op persoonlijke titel geschreven.

Zie voor de ontwikkelingen rond Oost-Timor in 1999: dossier Oost-Timor in NRC Handelsblad.

Noten
1. Op de Indonesische strijdkrachten buitgemaakte militaire kaarten tonen aan dat de Indonesische inlichtingendienst ervan uitgaat dat er vrijwel overal in Oost-Timor guerrillastrijders actief zijn. Timor Link nr. 6, juni 1986; Jill Jolliffe, Portugal concerned about Timor letter, telex van DPA (Deutsche Presse Agentur), 5 juni 1987.
2. Expresso (Portugal), 2 augustus 1986, 29 november 1986; The Christian Science Monitor, 1 september 1986.
3.C. R. Boxer, The Portuguese Seaborne Empire 1415-1825, Hutchinson, Londen, 1977, blz. 143.
4. Margo Picken, ‘The betrayed people’, in: The NewYork Review, 4 december 1986.
5. James Dunn, Timor, A people betrayed, Jacaranda Wiley, Brisbane, geciteerd in: Margo Picken 1986, zie noot 4.
6. Cf. noot 5 en G. J. Telkamp, ‘The economic structure of an outpost in the outer islands in the Indonesian archipelago: Portugese Timor 1850-1975’ in: Francien van Anrooij e.a. Between People and Statistics, Essays on Modern Indonesian History, Martinus Nijhoff, Den Haag, 1979.
7. Zie lijst overige literatuur hieronder.
8. Cf. noot 5.
9. José Ramos Horta, Funu, The unfinished saga of East Timor, The Red Sea Press, Trenton, geciteerd in: Margo Picken 1986, zie noot 4.
10. Cf. noot 9.
11. Timor Link, nr. 6, juni 1986.
12. Rapport Amnesty International, geciteerd in: Margo Picken 1986, zie noot 4; Timor Link, nr. 6, juni 1986, zie ook noot 1; artikelen van Jean Pierre Catry in Diário de Notícias (Portugal) 31 januari 1985,6 maart 1985, 4 oktober 1985, 25 november 1985.
13. Expresso (Portugal) 13 september 1986.
14. Pogrom, juni 1986; Far Eastern Economic Review, 8 augustus 1985.
15. The Times of Papua New Guinea, 8-15 augustus 1986.
16. Far Eastern Economic Review, 8 augustus 1986; rap-port Anacoreta Correia, zie noot 2.
17. International Herald Tribune, 17 juli 1986; Timor Link nr. 6, juni 1986; zie ook noot 1; Terceiro Mundo nr. 67, juni-juli 1984.
18. Wiecher Hulst, ‘Suharto’s Indonesië’ in: Intermediair, 3 oktober 1986; Luísa Teotónio Pereira, ‘Indonésia: formosa mas não segura’ in: Terra Soliria (Portugal) nr. 1, mei-juni 1986.
19. Zie mijn artikel in NRC Handelsblad, 1 oktober 1983, en Tapol, West Papua, ‘The obliteration of a people’, Londen herziene editie, 1984.
20. International Herald Tribune en Bert Ernste, ‘When is a liberation movement to be called progressive? A case study: The SWAPO of Namibia’, Rijksuniversiteit Utrecht, 1980 (scriptie).
21. Diário de Notícias (Portugal), 21 augustus 1985.
22. Expresso (Portugal), 22 maart 1986; Far Eastern Economic Review, 10 april 1986.
23. O Jornal (Portugal), 19 september 1986; Expresso (Portugal), 1 mei 1987, 9 mei 1987.
24. The Anglo Portuguese News (Portugal), 2 juli 1987.
25. NRC Handelsblad, 2 september 1987.
26. Jill Jolliffe, commentaar voor Radio Nederland Wereldomroep, 2 september 1987.
27. Peter van Krieken, ‘Zelfbeschikkingsrecht en onafhankelijkheid’, in: Intermediair, 19 december 1986.

Overige literatuur
Carmel Budiardjo en Liem Soei Liong, ‘The war against East Timor’, In de Knipscheer, Haarlem, 1984
Justitia et Pax Nederland, ‘Oost-Timor’, Den Haag, 1984. Fretilin, Mensagem de Saudação, 1985.
Fretilin, ‘Relatório da delegação do Comité Central do Fretilin em missão no exterior do País’, Lissabon, 1982.
Libertar en andere uitgevers, ‘Timor Leste 1974-1984’, Lissabon, geen datum.
João Loff Barreto, ‘The Timor Drama’, Uitgave van Timor Newsletter, Lissabon, 1982.
Denis Freney, Timor, ‘Freedom caught between the powers’ SpokesmanBooks, 1975; Pesidência do Conselho de Ministros, ‘Relatórios da descolonização de Timor, Deel I: Relatório do governo de Timor; Deel II; Relatório de análise e esclarecimento do processo de descolonização de Timor’, Lissabon, 1981.

Meer koloniale geschiedenis | Index artikelen | Contact