British flag  Bandeira brasileira
Plaatje familiewapen De Munnick


 

Plaatje vlag West Papua ‘Ons laatste oorlogje’ en de marges van de journalistieke geschiedschrijving

Bert Ernste

West Papua Courier oktober 1984

Omslag boek Met enige verbazing las ik de over het algemeen prijzende kritieken over John Jansen van Galens ‘Ons laatste oorlogje’. Verbazing, want het plezier waarmee ik het boek begon te lezen sloeg langzamerhand om in irritatie. Naar mate ik in het boek vorderde, werd de journalistieke stijl van Jansen van Galen een stijltje zonder inhoud, terwijl de geschiedschrijving die hij op het oog had er bekaaid afkwam.

‘Ons laatste oorlogje’ gaat over Nederlands Nieuw Guinea en met name over de Nieuw-Guineakwestie, het willen vasthouden aan ‘ons’ Nieuw Guinea door de Nederlandse regering tegen alle internationale druk in. Tot 1962 slaagde Nederland erin de (militaire) druk van Indonesië en de internationale druk in de VN en van de Verenigde Staten te weerstaan. Het reconstrueren van het politieke spel rond Nieuw Guinea is niet nieuw en Jansen van Galen heeft wat dat betreft weinig nieuws te bieden. Nieuw is dat Jansen van Galen “eigentijdse geschiedschrijving in journalistieke trant” wil bedrijven, terwijl de meeste andere boeken over dit onderwerp min of meer wetenschappelijke pretenties hebben. Nieuw is ook dat Jansen van Galen het diplomatieke spel rond Nieuw Guinea contrasteert met impressies uit het leven op Nieuw Guinea zelf, vooral van het burgerlijk bestuur en van de militairen. Dat geeft een idee waar het bij de Nieuw Guinea kwestie nu eigenlijk om ging, namelijk de macht over een altijd door Nederland verwaarloosde kolonie waar nog nauwelijks van ontwikkeling sprake was. In de meer wetenschappelijke studies wordt dat gegeven een abstractie (souvereiniteit, zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s etc.).

Bijvoeglijke naamwoorden
Is het mogelijk om in journalistieke trant een beeld te geven van het leven op Nieuw Guinea dat accuraat genoeg is voor om geschiedschrijving? Is het in zijn algemeenheid mogelijk om geschiedschrijving in journalistieke trant te bedrijven? Ik denk van wel, maar slechts tot op zekere hoogte. De journalistieke trant, en zeker de stijl van Jansen van Galen, houdt een kleuring in van de gebeurtenissen die beschreven worden ten behoeve van de levendigheid. Let alleen al op de hoeveelheid bijvoeglijke naamwoorden en dito bijzinnen die ‘Ons laatste oorlogje’ bevat. Op zich is dat geen bezwaar, maar Jansen van Galen gaat daar tot in het vervelende mee door. Twee maal wordt er in het boek houtsnijwerk van papoea’s gekocht en twee keer vindt Jansen van Galen het nodig om toe te voegen “die de papoea’s toch maar laten verrotten”. Drie maal wordt er gesproken over de vlaggemast met de Nederlandse vlag naast de Nieuw-Guineavlag en Jansen van Galen komt alle drie de keren niet los van het beeld van het dwarsbalkje dat aan de vlaggemast gespijkerd moest om de twee vlaggen naast elkaar te hijsen.

Een stemming oproepen is een ding, en Jansen van Galen kan dat goed, maar het steeds maar op dezelfde wijze herhalen van die stemming werkt averechts, na 238 blz. is het ongeloofwaardig geworden. Dat geldt des te meer omdat hier en daar het stijltje gebruikt wordt om het stijltje. Wat draagt een passage als “Op trips in het buitenland is Herman Womsiwor onbetaalbaar. Een man van de wereld, met zijn talenkennis, zijn gouden tanden en zijn vrouwenaffaires. Als de papoea’s goodwill komen kweken bij de Verenigde Naties, stapt hij zo New York in en is in een oogwenk terug, de armen vol kisten sigaren en flessen drank, met een vlotte babbel bij elkaar gebietst ... Laat het maar aan Herman over om een cocktailparty te fiksen.” (blz. 119) bij aan eigentijdse geschiedschrijving? Er volgt niets over Womsiwors rol bij de onderhandelingen. Een dergelijke suggestieve (en voor de persoon in kwestie niet zo flatteuze) passage moet je alleen gebruiken als die echt bijdraagt aan een beter begrip. Irritant is ook dat dergelijke anecdotes over de Nederlandse politici ontbreken.

Discriminerend
Een vreemde vorm van discriminatie is verder dat de Nederlandse politici met hun achternaam worden aangeduid en de voormannen van de papoea’s veelal met hun voornamen. Toegegeven, de papoealeiders mochten slechts een ondergeschikte rol spelen, maar dat is geen reden om ze minder beleefd te behandelen. En het voortdurend ‘Henkie’ zeggen tegen papoealuitenant Henkie Antaribaba is gewoon onnodig kleinerend (blz. 101).

Een journalistieke kleuring van de geschiedenis kan een bijdrage zijn tot levendigheid die bijdraagt tot een beter begrip van de geschiedenis. Maar een dergelijke kleuring is voor een deel subjectief en suggestief. In een geschiedschrijving moet dat subjectieve en suggestieve enigszins duidelijk worden. Jansen van Galen doet dat niet. Hij presenteert zijn beelden als objectief en vaststaand, wat in literatuur wel kan, maar onzorgvuldig is voor iemand die aan geschiedschrijving wil doen (in wat voor stijl dan ook). “Persoonlijk heeft de bestuursambtenaar nooit de illusie dat wat wij daar doen zal beklijven. Het blijft futiel gekrabbel in de kantlijn van de beschavingsgeschiedenis van de mensheid” (blz. 93). Waarschijnlijk bedoelt Jansen van Galen uitsluitend op de ambtenaar uit het hoofdstuk, maar duidelijk is dat allerminst, bovenstaande passage is een aparte alinea. Waarom niet geschreven: “de bestuursambtenaar in kwestie” of “de meeste bestuursambtenaren”? Minder levendig? Misschien, maar het absolute van de tekst uit het boek maakt het beeld ongeloofwaardig.

Geschiedenis zonder jaartallen
Voor een geschiedschrijving ontbreken er ook te veel jaartallen in ‘Ons laatste oorlogje’. Op bladzijde 173 wordt zelfs een datum genoemd zonder jaar, terwijl er tot dat ogenblik nog geen jaartal in het hoofdstuk is voorgekomen. Juist omdat Jansen van Galen heen en weer springt van de diplomatie naar de gebeurtenissen in Nederlands Nieuw Guinea moet hij nauwkeurig zijn met zijn tijdsaanduidingen. Het hele boek wekt de indruk haastig geschreven te zijn, ondanks het “uitstel van publicatie door een probleem met het rijksarchief”. Het hoofdstuk ‘Laten we John Wayne volgen’ bijvoorbeeld begint met een passage over de zoon van Rockefeller en anthropologische films over papoea’s en springt dan over op een circulaire (van wie? wanneer?) die waarschuwt: “Er zijn geen rode stadsgedeelten.. (Wat zijn dat? BE) Bij ruw optreden zal de publieke reactie afdoende zijn. Handelt dus alsof gij thuis waart”. Zonder verdere verduidelijking springt het verhaal dan over op de reis van het Nederlandse vlootsmaldeel dat op weg is naar Nieuw Guinea. De beschrijving van de Nieuw-Guineavlag op blz. 129 heeft weinig te maken met de vlag die uiteindelijk gekozen wordt, zoals op een van de foto’s te zien is.

Jansen van Galens uitgangspunten waren zeer verdienstelijk. Het schrijven van eigentijdse geschiedenis in journalistieke trant blijkt echter zeer moeilijk. De journalistiek, dat wil zeggen de levendige stijl heeft in ‘Ons-laatste oorlogje’ helaas de overhand gekregen. En de kleuring van de gebeurtenissen is wat te drammerig, bijna arrogant zelfs, zodat halverwege het boek die kleuring ongeloofwaardig wordt. Het is een stijltje geworden, een standaard recept. De geschiedschrijving komt er daardoor bekaaid af. Jammer, want ook de menging van de gebeurtenissen in Nieuw Guinea zelf was een veelbelovend uitgangspunt. Het valt te hopen dat de uitgever bij een eventuele herdruk de tijd neemt voor een bewerking om de pretenties van de auteur en het opschrift ‘H & W Dossier’ waar te maken. Dat zou tevens de gelegenheid bieden om wat origineler fotomateriaal op te nemen. Of verkoopt kwaliteit in Nederland niet meer en een ‘stijltje’ wel?

Noot van de reactie van West Papua Courier:
De redactie van WPC betreurt het ten zeerste, dat de heer Jansen van Galen zo slecht geïnformeerd is over de ware kwaliteiten van wijlen Herman Womsiwor. Wij kennen Womsiwor heel goed om te weten, dat hij nooit verwikkeld is geweest met vrouwenaffaires. Hij is afkomstig van de Biakse bevolkingsgroep, waar volgens de strenge adat-regels vrouwenaffaires zeer zeldzaam voorkomen.

Meer boeken West Papua | Nieuw-Guinea

Meer West Papua | Meer koloniale geschiedenis | Contact